Ik hoorde voetstappen dichterbij komen, maar ze deerde me niet. Mijn grote liefde en mijn baby waren mogelijk niet meer in leven. “Wat als ik ze nu beide kwijt ben?” herhaalde ik.
“Dat zou gerechtigheid zijn van de Heer!” hoorde ik ineens. Ik schoot overeind. Aan de andere kant van de hal stond de vader van Sophia. Hij was net vrijgelaten uit de gevangenis en werd nog behandeld voor waanidee?n. Naast hem stond zijn Een na oudste zoon. “Mijn gebeden zijn verhoord,” riep mijn schoonvader. “Jij! Jij bent de reden dat ze uit de gratie van de Heer is gevallen. En jij bent de reden dat jouw kind en mijn kind daar in een kamer dood aan het gaan zijn.” Jonas stapte voor me. “Rustig!” riep hij.
“De prijs voor zonde is de dood!” riep mijn schoonvader. Mijn zwager viel op zijn knie?n en bad. “Heer. Als U mijn zuster voor U krijgt, behandel haar met vergeving.” Mijn vader liep naar ze toe. “Dit is een moment waar families samen moeten komen!” riep hij. “Je dochter vecht daar mogelijk voor haar leven.”
“Komt het goed met haar?” hoorde ik een meisje vragen. Ze stapte de deuropening in, ze was een jaar of zestien. Ze had dezelfde ogen als Sophia. Rood haar, al was dat van dit meisje lichter en neigde het meer naar blond. Dit moest Adeline zijn. Het jongere zusje van Sophia.
Ik schudde mijn hoofd. “Dat weet ik niet,” zei ik. Ik wilde het niet toegeven, maar ik was doodsbang. “Natuurlijk komt het niet goed, Lientje!” riep Martin. “Zij die de Heer niet eren zullen worden gestraft,” zei hij. “Ik hoop alleen dat Hij Sophia alleen straft in het leven en niet in haar hiernamaals.” Ik moest alles in me bevechten om hem niet aan te vliegen.
Ineens ging de deur open van de kamer. De arts kwam naar buiten, alle aandacht was op hem gericht. “Meneer De Witte?” vroeg hij. Ik knikte en stapte op hem af. Doodsbang wachte ik op zijn antwoord.”Het was even spannend. Ik ga je niet vermoeien met medische termen. Uw vrouw had een flinke bloeding. Maar ze is stabiel. We houden haar hier voor een paar dagen.” Ik knikte. “De baby?” vroeg ik. De man glimlachte. “Kerngezond. Een meisje. Ze is nu even bij de verpleegster. U mag even naar uw vrouw en daarna naar uw kindje. Maak u geen zorgen. Alles is onder controle.”
Hij stapte opzij om me erdoor te laten. Ik stapte naar binnen. Sophia lag in een ogenschijnlijk schoon bed. Ze leek te slapen. Ze ademde regelmatig. Ik ging naast haar zitten. “Jij hebt me zo bang gemaakt, Phietje,” zei ik haar haren strelend. Ze was nog best bleek. Maar haar lippen waren weer gekleurd en een hele lichte kleur op haar wangen.
“Doet mij dit nooit meer,” zei ik haar nog altijd door haar haren strelend. Een verpleegkundige liep binnen. “We moeten haar naar de intensive care brengen. Niets om bang voor te zijn, het is protocol. Voor de observatie,” legde de jonge man uit. Ik knikte en volgde hem de ruimte uit.
Mijn moeder omhelsde me. “Ik zei toch.Komt goed, jongen,” zei ze. “Ik moet iets vragen waar we allemaal doodsbang om zijn. Je kindje.” Ik keek haar aan. “De dokter zegt dat ze gezond is.” Mijn moeder haar mond viel open. “Ze?” zei ze. “Een meisje?” Ik knikte. “Blijkbaar.” Het voelde nog een beetje onwerkelijk voor me.
De verpleegster die Sophia had ondersteund kwam naar me toe. “Komt u maar even mee, meneer.” Ze bracht me naar een ruimte met allemaal wiegjes. Ze pakte een klein bundeltje uit de verste wieg. “Dit is uw meisje,” zei ze. Ze legde het bundeltje in mijn armen. Ze was prachtig. Ze had een licht bleke huid. Ze sliep dus ik kon haar ogen niet zien. Maar ze had kleine krulletjes op haar hoofd in dezelfde vuurroze kleur als haar moeder. Ze had een prachtig klein neusje en de kleinste handjes en voetjes die ik ooit had gezien. Ze was perfect.
De verpleegster nam haar weer over. “Heeft ze een naam? Nu heet ze alleen baby De Witte.” Ik knikte. “Lucy. Ze heet Lucy Sophie.” De vrouw knikte. “We gaan vannacht voor haar zorgen.” Ik keek naar mijn dochtertje. “Mag ik haar echt niet meenemen?” vroeg ik. Ik was nu al stapelgek op mijn kleine meisje.
De verpleegster lachte zachtjes. “Nee, over een dag, misschien twee mag ze mee,” zei de vrouw. Ik liep rustiger terug naar de rest. “Alles oké?” vroeg mijn moeder. Ik knikte. “Ze is prachtig, mama,” zei ik. “Haar kleur haar. Zulke kleine vingertjes.” Mijn moeder lachte zachtjes. “En hoe heet mijn kleindochter?” vroeg ze. “Lucy,” zei ik. “Lucy Sophie De Witte.” Ik voelde eindelijk de spanning uit mijn lijf lopen.
“Nee hè!” riep Alexander ineens. “Niet een meisje!” Alexander keek licht boos. “Sorry, jongen,” zei ik. “Kun je die niet omruilen?” Ik knielde bij mijn neefje. “Ben bang van niet, knul,” zei ik. “Meisjes spelen niet!” beet hij boos. “Wel wat anders dan wij, Alex,” zei ik. “Dan moeten jij en ik maar spelen.” Hij mompelde nog een paar keer dat meisjes stom waren. Ik kon er alleen maar een beetje om lachen.
The story has been illicitly taken; should you find it on Amazon, report the infringement.
Sophia’s familie stond een beetje ontgoocheld nog altijd bij de deur. Op Peter en nu ook Adeline na. “Geen bijbelse naam,” riep mijn schoonvader en schudde afkeurend zijn hoofd. “Kom, genoeg duivelse invloed.” Beet hij en trok iedereen met zich mee.
Adeline vocht zich vrij. “Wil je Sophia zeggen dat ik blij ben dat ze oké is?” vroeg ze. “ADELINE!” beet haar vader. “Dit kost mij weer een fortuin.” Gedwee liep ze mee. Ik had zijn opvoeding nooit van dichtbij gezien. Maar het leek zo beklemmend als Sophia het beschreef.
“Wij gaan ook, jongen. Neem wat rust. Dat ga je nodig hebben.” Ik knikte. “Dank je, mam.” Ze lachte en omhelsde me. “Ik kan niet wachten om mijn kleindochter te gaan verwennen.” Daarna vertrokken mijn ouders, Jonas en Joyce.
Ik liep even naar de intensive care. “Mag ik bij haar?” vroeg ik de verpleegster. “Ja, heel even. Ze is wakker.” Ik liep de zaal op en ging naast Sophia zitten. De kleur was nu volledig terug in haar gezicht. “Je hebt mij bang gemaakt, weet je dat?” zei ik haar hand pakkend. Ze glimlachte zwakjes. “Dan staan we quitte,” zei ze. Ik keek haar vragend aan. “Aruba,” zei ze zwakjes. Ik lachte en kuste haar voorhoofd. “Oké, die krijg je van me.”
“De baby?” vroeg ze. Ik zag lichte angst in haar ogen. “Gezond. Prachtig. Oh Sophia, we hebben zo’n mooi meisje.” Ze zuchtte zachtjes. “Nu zul je het van Joyce horen hoor,” zei ze zwakjes. “Ik had gelijk, Phi! Het was profetisch.” Ik streelde haar haren. “Niet klein te krijgen, jij,” zei ik zachtjes.
“Ze heeft nu wel rust nodig, meneer,” zei de verpleger. “U bent welkom om in de familie-kamer te slapen.” Ik knikte. Ik wilde mijn volledige gezinnetje niet achterlaten. Ik kon niet heel goed slapen die nacht. De schrik en het slechte matras vermoedde ik.
Ik liep de volgende ochtend de IC in. Ik zag haar al gelijk. Ze zat rechterop en leek een stuk sterker. “Hey.” Ik kuste haar. Ik ging bij haar zitten. “Ik wil naar huis,” zei ze. “Ik verveel me hier dood.” Ik lachte zachtjes. “Zo gauw je weg mag, gaan we naar huis.”
Een verpleegster kwam onze kant op met een bundeltje dekens in haar armen. “Goede morgen,” zei ze. “Ik heb hier iemand die jullie nu wel even goed wil ontmoeten.” Ze legde het bundeltje in Sophia’s wachtende armen.
Ik streelde mijn kleine meisje haar hoofdje. “Rood haar,” zei Sophia. Ik knikte. “Net als jij.” Ik bekeek nu mijn dochter pas echt goed. “Jouw neus,” zei ik. Ze knikte. “Jouw kin,” zei ze met zo veel liefde in haar ogen. Lucy begon zachtjes te bewegen. Tranen kwamen in Sophia’s ogen. “Gaat het?” vroeg ik. Ze knikte. “Gewoon wat emotioneel. Ze is zo mooi.” Ik glimlachte. Lucy deed haar oogjes open. Sophia’s glimlach werd groter. “Ze heeft jouw ogen,” zei ze. “In het ene licht, blauw en in het andere grijs.” Ze keek me aan. “Dat is het mooiste aan jou.”
Ik kuste haar. “Dan ga ik maar snel een pistool kopen,” zei ik. Ze keek me verward aan. “Ik ga de jongens uit de tuin moeten schieten. Jouw schoonheid. Mijn ogen. Dat wordt wat.” De verpleegster kwam onze kant weer op. “Het is tijd voor haar om te eten. Durft u haar de borst te geven?” Sophia knikte. De verpleegster hielp haar Lucy aanleggen. Al gauw zag ik mijn kleine meisje gulzig drinken. “Hoe voelt dat nou?” vroeg ik. “Apart. Maar zo geweldig.” Ze lachte breed. “Heb jij zo’n honger?” zei ze zachtjes. Ik genoot van het aanzien van mijn gezinnetje.
Na een kleine veertig minuutjes liet Lucy los. En viel het meisje acuut in slaap. “Ik haat het om dit te doen maar ik moet haar weer meenemen,” zei de verpleegster. Sophia trok haar pruillip op. “Nee. Nog heel eventjes.” De verpleegster lachte zachtjes. “Ik kom haar over een paar uur weer brengen,” zei ze. “Rust even. Wij zorgen voor haar.”
Ze nam Lucy uit Sophia’s armen. Heel even leek het of Lucy wilde protesteren. Ik keek naar Sophia die probeerde een traan binnen te houden. “Ze nemen haar niet van je af, schatje,” zei ik haar haren strelend. “Ze zorgen even voor haar. Wij hebben straks meer dan genoeg tijd met zijn drietjes,” zei ik.
“Rust even, mijn lief,” vervolgde ik. Ik kuste haar slaap en duwde haar voorzichtig in een liggende positie. Voordat ik de deur uit liep, sliep ze al.
De volgende dag waren de bloedwaarden van zowel Sophia als Lucy compleet in orde. En mochten mijn meisjes naar huis. Ik had de hele ochtend het huis aan kant gemaakt en een heerlijke lunch klaargemaakt die ik klaarzette.
Daarna ging ik mijn gezinnetje ophalen. De artsen gaven me een paar dingen om op te letten en wat aanbevelingen op voeding voor Sophia zodat ze snel de oude weer zou zijn.
Ik bracht snel mijn gezin thuis. Toen ik binnenkwam zag ik al gelijk dat er iets veranderd was. Ik zuchtte. “Ze zijn er hoor,” zei ik. Sophia tilde Lucy uit haar maxi-cosi. “Hoezo weet je dat?” vroeg ze Lucy knuffelend. “Omdat ik het niet versierd heb achtergelaten,” legde ik uit.
Ik liep de keuken in waar Jonas, Joyce en mijn ouders aan de tafel zaten. “En hier dacht ik dat ik tijd had met mijn gezinnetje,” zei ik, licht teleurgesteld. “Ik wil haar gewoon ontmoeten, jongen,” zei mijn moeder. “Niet te lang. Sophia moet nog aansterken en Lucy is zo klein.” Mijn moeder knikte. “Twintig minuutjes,” zei ze. Ze keek me aan met grote ogen. “Vooruit dan maar,” zei ik. Sophia liep binnen Lucy dragend.
“Ik durf het bijna niet te vragen,” zei mijn moeder. “Maar mag ik?” Sophia glimlachte. “Natuurlijk.” Mijn moeder stond op en nam Lucy van haar over. “Wat een dotje,” zei ze met tranen in haar ogen. “Dag kleine,” voegde ze Lucy wiegend toe. “God wat een prachtig meisje,” zei ze snikkend. Ik en Jonas wisten allebei dat ze dolgraag een dochter had willen hebben. En nu had ze een kleindochter.

